Patella onderzoek Raad van Beheer

Vanaf 1 augustus 2016 is het mogelijk om het Patella luxatie screeningsonderzoek via de Raad van Beheer te laten administreren bij Dierenkliniek Hellendoorn Nijverdal. Voor meer informatie hierover kan u uiteraard contact opnemen met de kliniek.

De patella (knieschijf) zit in de pees van de grote dijbeenspier. Er komen grote krachten op deze spier zodat de poot het lichaam kan dragen en honden kunnen staan, lopen en springen. Om te zorgen dat de knieschijf in het midden van het gewricht blijft is er een groeve, waar de knieschijf doorheen glijdt. Als de knieschijf uit de groeve schiet (patella luxatie), kan dat been het lichaamsgewicht niet meer dragen. Net als bij heupdysplasie en elleboogdysplasie is er een erfelijke basis, maar spelen ook omgevingsfactoren een rol.

Omdat het exterieur (uiterlijk) erfelijk bepaald is, is de aanleg voor knieproblemen ook voor een deel erfelijk. Wanneer een hond O-benen heeft (vaker bij de kleine rassen), wordt de knieschijf naar binnen getrokken. Deze honden ontwikkelen eerder een patella luxatie waarbij de patella over de rand van de groeve naar binnen schiet. Grotere honden hebben eerder een koehakkige bouw. Daar wordt de knieschijf wat meer naar buiten getrokken en zijn er vaker problemen met het naar de buitenzijde verplaatsen van de knieschijf.

Vaak zie je dat een kleine hond met patella luxatie een huppel maakt, met één van zijn achterpootjes hoog opgetrokken. In milde gevallen schiet de knieschijf vanzelf terug zodra de achterpoot weer in de normale stand staat. Als de aandoening erger is of wordt, schiet de knieschijf regelmatig van zijn plaats. In ernstige gevallen van patella luxatie is het kraakbeen van de groeve dusdanig misvormd (afgevlakt) dat de knieschijf constant uit de groeve (van zijn plaats) is.

Om na te gaan of de hond patella luxatie heeft, moet de hond fysiek onderzocht worden, het is niet mogelijk om met röntgenfoto’s de Patella luxatie gradatie te bepalen.

 

Het onderzoek naar Patella luxatie

Elke hond wordt zonder verdoving (sedatie) op een onderzoektafel onderzocht. Wanneer de hond helemaal ontspannen zou zijn (zoals bij een verdoving) dan wordt de knieschijf niet meer goed in de groeve getrokken. Wanneer een hond te veel spierspanning heeft is de Patella luxatie gradatie ook niet goed te bepalen, de dierenarts moet er dus voor zorgen dat de hond enigszins ontspannen is.

Voordat de dierenarts het onderzoek begint zal er eerst gevraagd worden of de hond problemen heeft gehad met lopen (huppelen of af en toe door de poot zakken).
Het onderzoek wordt daarna bij zowel het staande als het liggende dier uitgevoerd. Dit is van belang omdat de spierspanning anders is als de hond staat of ligt. De dierenarts voelt met zijn vingers en duimen of de knieschijf uit de groeve gedrukt kan worden. Dit gebeurt heel precies en met lichte druk. Vervolgens wordt er, als de knieschijf uit de groeve gaat, gevoeld of de knieschijf uit zich zelf weer in de groeve teruggaat. De dierenarts beweegt de poot van gestrekte stand naar gebogen stand en voelt daarbij aan de knie en de knieschijf. Soms laat de hond wel merken dat dit pijn doet, niet zozeer door druk op de knieschijf, maar al door het buigen het strekken van het kniegewricht. Al deze bevindingen dragen bij aan de gradatie voor Patella luxatie. Daarnaast voelt en luistert de dierenarts naar het gewricht zo voelt de dierenarts of de rand van de groeve mooi glad is, of er aanwijzingen zijn voor gewrichtsslijtage, etc.