Streptococcen

Streptococcus suis zijn de grootste ‘antibioticumslurpers’ op een zeugenbedrijf. De economische schade is groot en deze bacterie krijgen we maar niet zonder meer uit de stal. Hoe komt dat?

Algemeen

Streptococcus suis zijn een van de meest voorkomende bacteriën bij varkens, aangezien het tot de normale bewoners van de huid en slijmvliezen (neus- en keelholte, luchtwegen en maagdarmkanaal) behoren. Momenteel zijn van deze bacterie 35 serotypen bekend, waarvan wereldwijd serotype 2 het meest wordt geïsoleerd uit geïnfecteerde varkens. In Nederland wordt  echter serotype 9 het meest frequent aangetoond. Binnen een serotype kunnen verschillende S. suis stammen voorkomen, welke van elkaar verschillen in mate van schadelijkheid voor het varken. Een infectie door S. suis kan hersenvliesontsteking, gewrichtsontsteking, bloedvergiftiging en zelfs sterfte veroorzaken. Dit beeld komt het meeste voor bij biggen rond het spenen (4-8 weken leeftijd), echter wordt ook op andere leeftijden gezien.

S. suis is een zoönose. Dit betekent dat deze bacterie (hoofdzakelijk serotype 2) kan worden overgedragen via varkens of varkensvlees op mensen en hen ziek kunnen maken. 

Infectie

S. suis wordt gevonden in de tonsillen van zowel zieke als gezonde varkens. Gezonde varkens, voornamelijk de gelten en zeugen, vormen een belangrijke bron van ‘subklinische dragers’. Via de dragervarkens wordt S. suis oraal of via neus-neus contact naar de nog niet besmette biggen overgebracht:

  • tijdens de geboorte;
  • elders in de kraamstalperiode.

Besmetting van een gezonde big met S. suis, hoeft niet tot ziekte te leiden. Door de opname van biest zijn deze biggen de eerste twee weken beschermd tegen infectie met S. suis. Na deze periode neemt de bescherming af en kunnen infecties toeslaan. Het aanslaan van een infectie is afhankelijk en een samenspel van de:

  • Weerstand van de big; afhankelijk van biestopname, mate van stress, aanwezigheid andere ziekteverwekkers, klimaat.
  • Aanwezigheid van verwondingen; vechten, huisvesting, castratie, etc.
  • Darmgezondheid; voeding, aanwezigheid andere ziekteverwekkers.

Met name vlak na het spenen, een periode van stress, verspreidt S. suis zich in speengroepen. Verder kunnen vectoren als vliegen, ongedierte maar ook mensen, kunnen  S. suis via de omgeving overbrengen.

Klinische verschijnselen die zich voor kunnen doen bij S. suis infectie:

  • Koorts (≥ 40.5⁰C).
  • Plotselinge sterfte.
  • Hersenvliesontsteking.
  • Kreupelheid/gewrichtsontsteking.
  • Longontsteking.
  • Diarree.
  • Slechte eetlust.

Aanpak Streptococcen infectie

De aanpak van S. suis infectie bestaat uit 2 onderdelen:

  1. Therapie; verpleging van zieke biggen en verdere verspreiding infectie voorkomen.
    1. Toedienen water; biggen met hersenvliesontsteking drogen door de koorts snel uit en zullen hier snel door sterven.
    2. Antibioticumkuur en in acuut vroeg stadium is een corticosteroïd ook sterk aan te bevelen. Nb. op een koppelkuur kan overgegaan worden op moment 5% van de biggen ziek zijn binnen 5 dagen of 4% van de biggen binnen 24 uur. Hier kan echter vanaf geweken worden, indien dit door de dierenarts nodig wordt geacht.
    3. Voorkom verspreiding van S. suis van zieke biggen naar gevoelige nog niet besmette biggen; zieke biggen scheiden namelijk grote hoeveelheden S. suis uit.
  2. Preventie; zorgen voor een verminderd infectierisico en een verbetering van de algemene weerstand bij de big.
    1. Een goede algemene weerstand bij de big is onderhevig van de opname van een goede kwaliteit en hoeveelheid biest. Zaken die hierop van invloed kunnen zijn, zijn:
      1. Vitaliteit big (genetica, voer zeug tijdens dracht, jong vs oudereworpszeug).
      2. Temperatuur/klimaat van biggennest en kraamhok.
      3. Moment van spenen; liefst rond de 4 weken leeftijd; biggen gaan dan langzamerhand meer droogvoer eten, waardoor niet ineens de lokale afweer afkomstig van de zeugenmelk in de darmen wegvalt.

Nb. De kwaliteit van de biest bij een oudereworpszeug is veelal beter dan bij een gelt. Daarnaast kan dit positief beïnvloed worden m.b.v. vaccinatie tegen diverse ziekten bij de zeug. Zo ook tegen streptococcen.

  1. Infectierisico verminderen door:
    1. Reinigen (inschuimen) en ontsmetten; zowel in kraamstal als gespeende biggenafdeling.
    2. Opleg en opvang van gespeende biggen;
      1. Bezettingsgraad; hoge bezettingsgraad zorgt voor meer contact tussen dieren en grotere concentratie aan kiemen in de lucht. Via lucht is besmetting ook mogelijk.
      2. Mengen van diverse tomen/zieke en gezonde dieren.
      3. Klimaat.
      4. Voer-en drinkwatervoorziening.
    3. Strikte scheiding vuile en schone weg; m.b.t. verspreiding infectieuze kiemen zieke vs gezonde dieren.

Nb. Daarnaast is het belangrijk ook andere ziekteverwekkers die slijmvliezen aan kunnen tasten als PRRSV of Bordetella bronchiseptica (snuffelziekte) te voorkomen. 

Door Mariël Eidhof, varkensdierenarts.